Daar sta je dan met je rode broek. Een overblijfsel uit een tijd dat je nog een functionerend lid van de maatschappij wilde zijn. Om het af te maken (wat ik ermee af wilde maken, weet ik tot op heden nog steeds niet) heb je er een oranje shirt bovenop aangetrokken met daarop “Kampioen!”. Een overblijfsel uit de tijd dat je nog dacht dat het Nederlands elftal kans had op, tsja, iets. De microfoonstandaard vormt een prettige barriére tussen jou en het publiek dat je vertelt over die keer dat je nog een functionerend lid van de maatschappij was en op weg naar je kantoorbaan naast een brug op de admiraliteitskade hebt gepoept.

Ok rewind naar een maand eerder; aan mijn bar staat een lange gast met een kale kop, een sik en sowieso een veel te blij hoofd. Ik geef hem een biertje en bedank hem voor de toffe set die hij net gespeeld heeft. Hij was er een jaar tussenuit geweest en sloot de wekelijkse open mic “Raw Meat” af in de bar waar ik werk. Iedere week zie ik comedians voorbij komen en iedere week denk ik: “Dat kan ik ook, maar dan beter”. Ik heb het er met die gast aan de bar over en dwingt me bijna om een datum te prikken waarop ik mijn eerste set doe. Ik ga akkoord, we spreken de organisator aan en twee minuten later pen ik in mijn agenda dat ik een maand later op mijn open mic sta. “Good luck” zegt de gast die me net overgehaald heeft en met wie ik drie maanden later een uitverkochte dubbelshow speel op het New Zealand Comedy Festival.

Mijn eerste 8 minuten waren er zes. Zes minuten en 7 seconden om precies te zijn, met een afwijking van een seconde of twee á drie. Het is een waargebeurd verhaal over op straat poepen in Rotterdam, dat ik al een paar keer eerder had verteld (Ik heb mijn broer letterlijk een minuut nadat het was gebeurd, meteen gebeld), maar nu heb ik er wat grappen in gestopt. Naast de bar waar ik werk, zit een bar van een vriendin van me waar ik de sleutels van krijg om mijn set te oefenen. Dat was erg relaxed om wat laatste dingen er helemaal in te krijgen, maar ik heb mijn set vooraf hooguit een keer of 108 doorgelopen, zal niet veel meer geweest zijn, misschien 143. De laatste 20 keer was het exact hetzelfde; het was een klein toneelstukje waar ik me achter kon verschuilen…dacht ik.

Ik sta tweede na de pauze. Nu weet ik dat dat de safe spot is, maar die maandagavond voelde het als Aleppo op een willekeurige dinsdagmiddag. Ik denk niet dat ik eerder zo nerveus ben geweest als toen. Gelukkig waren er wat vrienden aanwezig, waaronder mijn goed vriend Tequila. Die heeft me redelijk gekalmeerd. Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wie er verder op de line up stonden, maar ik weet wel dat er twee comedians op de voorste rij zaten en dat ze hebben gelachen. Volgens mij ging mijn eerste keer zoals een eerste keer moet gaan. Hakkelend, hortend en stotend naar het einde met tussendoor een lach hier en daar en vooral heel veel sympathie van een lief publiek dat wilde dat ik slaagde.

Twee maanden later sta ik met dezelfde set in de finale van een landelijke wedstrijd en ga ik in die week met dezelfde set keihard dood in dezelfde bar (lees daarover meer in de column ‘Doodgaan voor beginners’ op deze site). Ik vertel het verhaal nog af en toe. Gelukkig wat losser dan toen en met een betere energie. Nuchterder ook. Er wordt tegenwoordig ook meer om gelachen, terwijl er qua inhoud weinig aan veranderd is, maar het is geen toneelstukje meer. De Admiraliteitskade in Rotterdam is echter nooit meer hetzelfde geweest.

Zie hieronder het filmpje. Als u ruis hoort….stel uw televisie dan niet bij. Dit ligt aan de beginnende comedian in het filmpje.